De krachten beginnen die de Heer verricht heeft op de dag des Heren.
Er kan niet betwijfeld worden dat de dag des Heren de eerste dag is,
Want er staat geschreven dat de wereld in 6 dagen gemaakt werd
En op de zevende dag rustte God.
Daarom wordt de zevende dag Sabbat genoemd.
Zoals de Moeder des Heren de voorrang heeft boven alle andere vrouwen,
Zo is de dag des Heren belangrijker dan alle andere dagen.
De dag des Heren noemen wij niet de achtste, maar de eerste dag.
De dag des Heren bevat de aanvang van alle dagen, en hernieuwt de verrijzenis.
Op de dag des Heren opende de Heer het paradijs voor de rover.
Op de dag des Heren sprak Christus tot de Engelen:
Opent de poorten der gerechtigheid
En Ik zal er binnengaan om de Heer te belijden.
Op de dag des Heren nam de synagoge van de Joden de vlucht.
En op de dag des Heren werd de Kerk geboren.
Op de dag des Heren is onze Heer opgestaan uit de doden, op de derde dag.
Op de dag des Heren werd de Heer geboren.
Op de dag des Heren zond de Heer de Heilige Geest over de apostelen.
Op de dag des Heren verdeelde de Heer de Rode Zee.
Op de dag des Heren werkte God wonderen in Cana van Galilea.
Op de dag des Heren verzadigde de Heer vijfduizend mannen met vijf broden en twee vissen.
Op de dag des Heren was het de eerste dag dat het manna regende uit de hemel gedurende veertig jaar in de woestijn.
Er is dus geen twijfel dat de dag des Heren de aanvang
is van alle dagen.
II
Op deze dag werd alles geschapen, de hemel en de aarde, de zee, en al wat daarin is...
De dag des Heren, een dag van vreugde, een dag van gelukzaligheid, een eerbiedwaardige dag,
Een dag waarop het volk ter kerke gaat.
Op de dag des Heren werden de engelen en de aartsengelen geschapen door Gods Mond,
De krachten en de machten, de vorstendommen en de heerschappijen, de tronen, Cherubim en Serafim.
Op de dag des Heren bleef de ark vastzitten na de vloed.
Op de dag des Heren deed God zijn volk uittrekken uit Egypte
En leidde hen doorheen de Rode Zee naar de woestijn.
Op de dag des Heren regende het manna uit de hemel gedurende 40 jaar
Voor de Israëlieten in de woestijn.
Op de dag des Heren openden zich de vier bronnen van wijn en honing en olie en melk.
Op de dag des Heren werd onze Heer Jezus Christus geboren.
Op de dag des Heren werd het Kind besneden en zijn naam werd Jezus genoemd.
Op de dag des Heren werd Christus gedoopt en kwam de Heilige Geest over Hem in de gedaante van een duif.
Op de dag des Heren brachten de Wijzen Hem geschenken: goud, wierook en mirre.
Op de dag des Heren maakte Jezus uit water wijn in Kana van Galilea.
Op de dag des Heren verzadigde de Heer met vijf broden en twee vissen vijfduizend mannen,
Vrouwen en kinderen niet meegerekend.
Op de dag des Heren werd de Kerk gesticht door de handen van Petros, de apostel.
Op de dag des Heren verlichtte de Heer de onderwereld en ontrukte de zielen aan de muil van de hel.
Op de dag des Heren nam Hij na de opstanding plaats op de zetel aan de rechterhand van God, de almachtige Vader.
Op de dag des Heren werd de wet aan Mozes gegeven op de berg Sinaï.
Op de dag des Heren zond de Heer de Heilige Geest over zijn apostelen.
Op de dag des Heren gaf de Heer de Apocalyps aan de apostel Joannes op het eiland Patmos.
Hij schenke aan alle gelovigen op diezelfde dag het eeuwige
leven. Amen.
III
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, want het was de eerste dag.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, want deze dag ving de Heer zijn werken aan.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, de dag waarop God de ziel in Adam blies.
Adam werd uit acht delen gemaakt:
Een deel leem waarmee het vlees werd gemaakt.
Een deel zout, en vandaar zijn de tranen zout.
Een deel vuur, en vandaar is het bloed rood.
Een deel wind, en vandaar is de adem.
Een deel bloemen, en vandaar de verscheidenheid der ogen.
Een deel wolken, en vandaar de onstandvastigheid van zijn geest.
Een deel dauw, en vandaar het zweet.
Dit zijn de acht waaruit Adam gemaakt is.
Een ander deel, zijn ziel, stamt van de hemel.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, want daarop offerde Abel met eigen hand geschenken aan God.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, waarop Noach na de zondvloed weer licht zag vanuit de ark.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, waarop Israël droogvoets trok door de Rode Zee.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, waarop de rots werd doorboord, waaruit tien stromen vloeiden en de volkeren werden verzadigd.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, waarop het manna regende uit de hemel gedurende veertig jaar voor het volk van God.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, waarop Jezus, de zoon van Nun, de opvolger van Mozes, droogvoets trok door de stroom van de Jordaan.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, waarop de Heer tot de tent van Abraham kwam. Op die ene dag was het in drie middens: op het midden van de wereld, op het midden van de leeftijd van Abraham en op het midden van de dag.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, want op die dag werd de eerste bisschop gewijd, wiens naam was Aaron.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, want op die dag zegende God wijn in Kana van Galilea.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, want op die dag kwam Christus op de wereld.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, want op die dag begon God te vasten van het begin af tot aan de tijd van het Pascha.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, want op die dag verrees de Heer uit de doden en werd de hele wereld bevrijd uit de muil van de duivel.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, want op die dag daalde de Heilige Geest neer over de apostelen.
De dag des Heren is een dag van gelukzaligheid, want op die dag zal de Heer komen om te oordelen de levenden en de doden.
De Heer zegt:
Indien gij de heilige dag des Heren onderhoudt, zal Ik voor u de sluizen van de hemel openen en ik zal uw vrucht vermeerderen en u zegenen in uw huis alle dagen tot aan uw dood, en na uw dood zal Ik u geven mijn Koninkrijk. En wat ge Mij zult vragen, zal Ik u geven, en gij zult u verheugen en weten dat Ik de Heer ben.
Maar Ik zweer u bij het geduld van God en bij mijn engelen, indien gij de heilige dag des Heren niet onderhoudt
Zal Ik over u brengen de grote straf en zal Ik uw lachend aangezicht in ellende doen verkeren.
Het vuur van de hemel zal u verteren.
Zij, die werk verrichten op de dag des Heren, zij die het hoofd scheren op de dag des Heren, zij die schoonmaken op de dag des Heren, zij zullen door God geworpen worden in de buitenste duisternis.
En wij moeten dit aan alle mensen verkondigen, opdat wij het eeuwige leven zonder einde zouden verwerven, in de eeuwen der eeuwen.
Amen. GEDAAN.
Mijn schuldig geweten voor het altaar
Heer, almachtige God, nederig aanbid ik U.
Gij zijt de Koning der koningen, en de Heer der heersers.
Gij zijt de scheidsrechter van heel de wereld.
Gij zijt de Verlosser van de zielen.
Gij zijt de Bevrijder van de gelovigen.
Gij zijt de hoop van de zwoegenden.
Gij zijt de Trooster van de lijdenden.
Gij zijt de weg van de dwalenden.
Gij zijt de Leraar der volkeren.
Gij zijt de Schepper van alles.
Gij zijt de Minnaar van alle goed.
Gij zijt de aanvang van elke deugd.
Gij zijt de Minnaar der maagden.
Gij zijt de Bron van de wijzen.
Gij zijt de trouw van de gelovigen.
Gij zijt het Licht van het Licht.
Gij zijt de bron van de heiligheid.
Gij zijt de heerlijkheid van God de Vader in den hoge.
Gij zetelt aan de rechterhand van God de Vader,
En heerst op de verheven troon in de eeuwen.
Ik smeek U dat Gij mij vergiffenis schenkt van al mijn zonden,
Mijn God, Jezus Christus.
Gij wilt niet dat iemand verloren gaat, maar Gij wilt dat allen gered worden,
En tot de kennis der waarheid komen.
Gij immers hebt met uw heilige en reine mond gezegd: de dag waarop de zondaar zich bekeert, zal hij leven en niet sterven.
Ik keer tot U terug, en met heel mijn hart roep ik tot U, Heer mijn God.
Wat ik misdreven hebt, dat weet Gij, ik verberg mijn ongerechtigheid niet.
Nederig belijd ik U, Heer mijn God, voor Uw aangezicht, voor het aangezicht van uw heilige engelen en voor het aangezicht van allen dat ik gezondigd heb tegen de hemel en tegen U, zowel door onachtzaamheid tegenover uw geboden als door mijn eigen misdaden.
Ik heb mij besmet in mijn hart, met mijn mond, door mijn daden en al mijn ondeugden.
Ik heb gezondigd door hoogmoed en jaloersheid.
Ik heb gezondigd door kwaadsprekerij en door gierigheid.
Ik heb gezondigd door hoogmoed en listigheid.
Ik heb gezondigd door wellust en gulzigheid.
Ik heb gezondigd door vals getuigenis en haat voor de mensen.
Ik heb gezondigd door roof en diefstal.
Ik heb gezondigd door godslastering en vleselijk begeren.
Ik heb gezondigd door dronkenschap, en door ijdel gepraat.
Ik heb gezondigd in woord, en daad en in gedachten.
Ik heb gezondigd door koppigheid en strijd.
Ik heb gezondigd door valse eed en toorn.
Ik heb gezondigd door aardse en vergankelijk plezier.
Ik heb gezondigd door de genietingen van mijn geest.
Ik heb gezondigd door smart en murmureren.
Ik heb gezondigd met mijn oor en mijn oog.
Ik heb gezondigd met mijn tong en mijn keel.
Ik hen gezondigd in mijn borst en met mijn nek.
Ik heb gezondigd met handen en voeten.
Ik heb gezondigd tot in mijn gebeente en mijn nieren.
Ik heb gezondigd in mijn ziel en met heel mijn lichaam.
Zo Gij acht slaat op de ongerechtigheden, Heer, Heer, wie kan dan doorstaan?
En daar mijn zonden zijn, zo gij uw oordeel nog verstrengt, Hoe zal ik dat doorstaan, tenzij gij mij nu vrijspraak verleent.
Daarom belijd ik U, Heer, mijn God, Die alleen zonder zonde zijt,
En ik bezweer U, Jezus Christus, God der barmhartigheden, bij uw lijden en het storten van uw bloed, en tevens bij het teken van het verlossende hout van uw kruis, dat Gij mij de vergiffenis schenkt van al mijn zonden, niet omwille van mijn verdiensten, maar volgens uw grote barmhartigheid.
Oordeel mij volgens de rechtspraak van uw zachtmoedigheid.
Ik, een mens, bezweer U, de almachtige God, dat Gij mij niet straft volgens mijn zonden, maar dat Gij in mij zoudt opwekken de standvastigheid in de vreze en de liefde voor U, de ware boete voor mijn zonden, en tranen over mijn verleden, omwille van uw Naam, omwille van uw heilige Naam. En geef mij de gedachtenis van uw geboden om ze te onderhouden.
Help mij, Heer mijn God, volgens de overvloed van uw barmhartigheid, wis voor immer mijn ongerechtigheid uit. Wend uw aangezicht niet af van mijn gebed, en verberg voor mij uw aanschijn niet.
Verwerp mij iet, verlaat mij niet, maar bevestig mij in uw wil, en leer mij uw wil te doen, en tevens wanneer ik moet spreken en wanneer ik moet zwijgen.
Verdedig mij, Heer, tegen mijn vijanden, de onzichtbare en de zichtbare.
Verdedig mij, Heer mijn God, tegen de strikken van de duivel, en tegen de engel van de onderwereld over wie Gij gezegd hebt: Zie de vorst dezer wereld komt, maar kan in Mij niets vinden.
Daarom, doof mijn zonden en de vleselijke begeerten in mij uit.
Verlosser der zielen, verlaat mij niet, ellendig en onwaardig
als ik ben, maar ik ben toch uw huisgenoot N. Moge ik door U mijn weg gaan
en U bereiken, en in U mijn rust vinden, Heer, mijn God, want zonder U
kunnen wij niets, Gij die leeft en heerst met God de Vader, God, in de
eenheid van de Heilige Geest, in de eeuwen der eeuwen.
Amen.
Verzen van Abt Jozef
U noemen wij het Leven, het Heil, de Kracht, het Woord, de Wijsheid, de Bruidegom, de Deur, de Herder, het Lam, de Afstammeling die het beeld is van de Vader, de opgerichte Zuil, de Steen, de Toren, de Lichtdrager en de Zon, die vervuld is van de genade van de Vader, die voortkomt uit de oorsprong van het Licht.
Jezus, gezeten op de verheven troon, Wet der uitnemendheid, Maker van de bergen, Raadgever, Aanvoerder, die vervuld zijt van de kracht van de olijfboom, almachtige Bestuurder van het leven, Zalver en Gezalfde, Drager van de hemelse Wet, Getuige, Vorst, Verkondiging, Profeet, Overwinnaar voor wie de hemelse koningen beven, grootste en kleinste Voorzitter, eerbiedwaardig Teken voor de eredienst,
Gij werd in lijnwaad gewikkeld bij uw dood, Gij Dienstknecht, Slachtoffer, Manna, eeuwige Scheidsrechter, Wolk die de aarde doet groenen, een Lamp zijt Gij, en hemels Brood dat uit den hoge zijt gezonden, Uitgang en Ingang, erfdeel, Koning en Verlosser van de wereld, Arts die ons de geneesmiddelen schenkt van het heil,
Zegeteken op ons schild en onze boog dat altijd overwint, op de boom hebt Gij de wereld vrijgekocht en verworven, Koning der koningen, Heer, Licht voor allen die op de aarde zijn, Aanvang en Einde, Kleed voor arm en rijk, voor kind en ouderling, Bron, Stroom, Herder en Lam,
Gij draagt de naam "Oosten", de standaard van het Licht is opgegaan, werkelijk Zachtmoedige, Sterke die zwak zijt, Gij die in de ware zin Aaron zijt, de Rechtvaardige en de Rechter, Gij alleen bezit een heilige wil,
Gij brengt de behoeftigen vanuit het slijk naar het zalige Koninkrijk, Gij zijt de onwankelbare Muur, Gij zijt de Put waaruit de vrouw drinkt, Gij zijt het Vuur op deze aarde, die waarlijk gezonden werd vanuit den hoge, Gij werd gebroken en hebt geleden, ware Abel, zoals geschreven staat, Gij zijt het Hert, gij zijt het geitenbokje uit de weiden van Betel,
Gij zijt de roemrijke goede Deur, Gij zijt de effen en rechte Weg, Gij zijt de ondergang van de onderwereld, o Koning, wiens rechterstoel de sterren verre te boven gaat, Gij zijt de eerste van uw gezellen, Gij waarlijk vreedzame Salomo. Gij zijt de Izaak die geofferd werd,
Gij God zijt mens geworden, Gij geeft loon en veroordeelt
alle misdaden, Gij zijt de verdediger en Wreker, goede Koning. Aan U de
eer der krachten, mystieke Samson, Gij zijt de tooi der helpers, de Bloem
van het veld en de verheven Rechterhand.
Lied ter ere van Christus,
Christus, aanvaard goedgunstig mijn geloften,
Gij hoogste Verlosser der wereld,
Gij zijt het Licht,
Verdrijf, Christus, mijn duisternis.
Gij zijt het enige Licht der wereld,
Hoogste Verlosser Christus,
Verjaag, gezegende Koning,
Mijn duisternis.
Gij alleen zijt voor ons de gouden zon,
Gij schittert als de bliksem,
Onder uw vleugelen
Waait de goede geur van het heil.
Gebed van de Heilige Brendaan
Koning van de mysteriën, zal ik het zoete gemak van mijn huis achterlaten
Zal ik mijn rug keren naar mijn geboorteland, en mijn gelaat naar de zee?
Zal ik mij geheel en al overgeven aan uw ontferming,
Zonder zilver, zonder paard,
Zonder faam, zonder eerbewijzen?
Zal ik mijzelf helemaal in uw armen werpen,
Zonder zwaard of schild, zonder voedsel en drank,
Zonder bed om op te liggen?
Zal ik vaarwel zeggen aan mijn schone land,
En mijzelf helemaal plaatsen onder uw juk?
Zal ik mijn hart helemaal voor u uitstorten,
Mijn vele zonden belijdend en vergiffenis afsmekend,
Terwijl de tranen langs mijn wangen lopen?
Zal ik de afdruk van mijn knieën achterlaten in het zand van het strand,
Een herinnering van mijn laatste gebed in mijn geboorteland?
Zal ik dan elke mogelijke wonde lijden die de zee mij kan aandoen?
Zal ik mijn kleine bootjes nemen om de wijde flonkerende oceaan te doorkruisen?
Koning van de hemelen der heerlijkheid, zal ik uit eigen keuze de zee bevaren?
O Christus, zult Gij mij helpen op de woeste golven?
Hymne ter ere van de Heilige Brendaan
Laat de broeders en zuster nu bezingen
Het heilige leven van Brendaan;
Laat het nu bezongen worden
Op de oude melodie.
Hij was de minnaar van het juweel der reinheid,
Hij was de vader van vele monniken.
Hij schuwde het werelds gezang,
En nu zingt hij onder de engelen.
Laat hij nu bidden dat wij worden gered
Wanneer wij zeilen over deze zee.
Laat hij haastig helpen de gevallene
Die verdrukt wordt door de last der zonde.
God de Vader, en Gij allerhoogste Koning
Die gevoed werd aan de borst van een maagdelijke moeder,
En Gij Heilige Geest, wanneer Gij wilt,
Voed ons met uw hemelse honing.
Zeemanslied van de heilige Columbanus
Gehouwen in de wouden, klievend door de Rijn met zijn twee hoornen,
Hecht gebreeuwd, varen wij nu op de zee.
Hoezee, mannen, laat de echo's weerklinken van ons hoezee.
De windvlagen rukken, wilde stortvloeden razen,
Maar de handigheid van de mannen overwint en temt de storm.
Hoezee, mannen, laat de echo's weerklinken van ons hoezee.
Wolken wijken voor het zwoegen, stormen wijken,
Ijver beheerst alles, onophoudelijk werk overwint alles.
Hoezee, mannen, laat de echo's weerklinken van ons hoezee.
Verdraagt en bewaart uzelf voor betere tijden,
Gij die veel erger hebt doorstaan, en God zal ook hieraan een einde maken.
Hoezee, mannen, laat de echo's weerklinken van ons hoezee.
Wanneer de walgelijke vijand aanvalt en ons hart vermoeit,
En door zijn geweld ons diepste innerlijk verleidt,
Laat uw geest dan denken aan Christus, mannen. Hoezee.
Houdt stand met standvastig gemoed, minacht de listen van de vijand,
Verdedigt dapper uzelf met de wapens der deugden.
Laat uw geest dan denken aan Christus, mannen. Hoezee.
Standvastig geloof en zalige ijver overwinnen alles,
De oude vijand wijkt en verbroken zijn zijn pijlen.
Laat uw geest dan denken aan Christus, mannen. Hoezee.
De Koning der krachten, de Bron der dingen, de allerhoogste Macht,
Staat borg voor de strijders en schenkt de overwinnaars het loon.
Laat uw geest dan denken aan Christus, mannen. Hoezee.
In naam van God, de Allerhoogste
Zeven tekenen genazen deze wereld.
Het eerste teken is de geboorte van onze Heer Jezus Christus
Uit de maagd Maria,
Opdat wij zouden worden herboren in de onschuld en de eenvoud van het kind.
Het tweede teken:
Christus is voor ons gestorven,
Opdat wij zouden sterven aan onze zonden.
Het derde teken:
Hij werd begraven, opdat wij, zoals de apostel zegt, zouden mede begraven worden met Christus.
Het vierde teken:
Hij is opgestaan uit de doden,
Opdat wij zouden opstaan uit de doden
En uit onze zonden,
In het volmaakte leven en in geestelijke lichamen.
Het vijfde teken:
Hij is opgevaren ten hemel opdat wij in zijn voetspoor zouden treden door onze kracht,
Dit is door de kennis van het goede, door het goede woord en door goede werken.
Het zesde teken:
Hij zetelt aan de rechterhand van God de Vader,
Duidt de standvastigheid aan van onze eeuwigheid
In het koninkrijk van de eeuwige God.
Het zevende teken dat wij verwachten:
Dat Christus het loon zal geven aan zijn heiligen
Op de dag van het oordeel, elk naar verdiensten,
Zoals de apostel zegt: wie karig zaait, zal karig oogsten,
Wie in zegening zaait, zal in zegening oogsten het eeuwige
leven.
Uit het feestenboek van de Heilige Oengus.
Uit de proloog
Genees, Christus, mijn spraak,
O Heer van de zeven hemelen,
Schenk mij het loon der vroomheid,
O Koning van de stralende zon.
O stralende Zon die verlicht
De hemelen door zoveel heiligheid,
O Koning die de engelen bestuurt,
O Heer van de mensen.
O Heer van de mensen,
O rechtvaardige Koning,
Moge elk goeds het mijne worden
Omwille van de lofzang van uw koninklijk gezin.
Uw koninklijk gezin dat ik prijs,
Gij immers zijt mijn soeverein,
Steeds houd ik in mijn gedachten
En steeds smeek ik tot hen.
Ik bid een gebed tot hen,
Moge wat ik doe mij beschermen,
Het blonde volk met schoonheid,
Het koninklijk gezin dat ik herdacht heb.
Ik herdenk het koninklijk gezin
Rondom de Koning boven de wolken,
Sommigen van hen tijdens luisterrijke feesten,
Anderen onder hevige tranen.
Moge mij tot troost strekken,
Ik ben immers een vermoeid ellendig mens,
Het leven dat deze heiligen hebben doorlopen
Volgens de geboden van deze Koning.
Zij hebben wegen uitgehouwen
Die dwazen niet gemakkelijk toeschijnen,
Voor zij gingen naar het Koninkrijk
Hebben zij beproevingen ondergaan.
Voor het oog van de vijand
Werden zij, de deugdzamen, gespietst.
Zij werden voor het oog van de mensen verpletterd,
Zij werden gegeseld voor het oog van koningen.
Zij werden met speerpunten doorboord,
Zij werden in stukken getrokken,
Zij werden verbrand in het vuur,
Op witgloeiende roosters.
Zij werden voor wilde dieren geworpen
Door genadeloze beulen,
Zij werden gepijnigd, een hard lot,
Door de vlammen van de vuuroven.
Zij werden uit de kerkers gehaald
Om te worden gekruisigd.
De vijanden verguisden hen,
Na hen te hebben gevild met zwaarden.
Zij waren vol vreugde bij elke gewelddadige dood,
Een mateloze verschrikking.
Daarvoor leden zij vele folteringen
Die zij manmoedig verdroegen.
Zij allen hebben geleden, enerzijds beklagenswaardig,
Anderzijds een grote daad van moed,
Waardoor zij een groter loon kregen
Van Jezus, de Zoon van Maria.
Wee over hen die hen hebben vermoord,
Over hen die waagden hen te vellen!
Na hun kort zwoegwerk
Zijn ze zonder leeftijd zoals Christus.
De grote koningen der heidenen
Weeklagen immer brandend,
De legerscharen van Jezus zonder zondeval
Verheugen zich na hun overwinning.
De zondaars in de overvloed van hun wreedheid
Waardoor ze zelf zijn omgekomen,
Hun luister is vergaan,
Hun vestingen zijn verlaten.
Maar zij die na hun smarten
Het Koninkrijk hebben bereikt,
Hun graven zijn niet verborgen,
Zij zijn de bescherming van duizenden.
De soldaten die hen hebben gekruisigd,
Hoewel zij sterk waren in de strijd,
Hun smarten zijn nu hevig,
Hun graven blijven onbekend.
Maar zo is het niet met Jezus' soldaten,
Zij bereikten de stralende woonst.
Nu liggen hun vrome lichamen
In schrijnen van fonkelend goud.
Christus koninklijk huisgezin is grandioos
Door hun wonden bij de talloze scharen.
De koningen van deze wereld na de vervulling van hun
begeerten
Zijn van dit alles beroofd.
Herodes en Pilatus
Onder wie onze Heer heeft geleden,
Hun macht is ten einde,
Hun smarten blijven voor eeuwig.
Jezus, hoewel Hij werd gekruisigd,
Onze Heer, onze kampioen
Is als volmaakte Koning verrezen
Over elk element dat Hij had geschapen.
Hoewel Nabuchodonosor de rode,
Een zeer dapper man, koning was over de wereld,
Is zijn heerschappij vernietigd
Nadat hij was heengegaan met zijn huishouden.
Niet zo is het met oude Paul,
Zijn kluis was erg grauw,
Maar door zijn heilige naam werd door de grote genade
Elke gelukkige gast genezen.
Hoewel een zwaard machtig neersloeg
Joannes de Doper,
Werd hij in de wereld verheven
En in Gods Rijk werd hij gekroond.
Herodes en zijn koningin
Door wie hij werd vermoord onder dansmuziek
Werden door hemel noch aarde ontvangen
Een hard lot.
De heilige naam van Petros, de apostel
Wordt door elke synode aangeroepen;
Voor een gelovige lijkt het afgrijselijk
De naam zelfs van Nero te noemen.
Nero, zijn graf is onbekend,
En terecht, want hij was niet goddelijk;
De wereld met de menigten daarin
Verheffen het kleine graf van Petros.
Er staat een hoofdzetel voor Nero
Op de voorgrond van de pijn;
Paulos, de apostel, de torenhoge zuil,
Reikt tot de vlakten van de hemel.
Nero's heerschappij is verdwenen,
Hij is er ver vandaan,
Maar Paulos' naam, een blijvende uitverkiezing,
Golft als het watergetij.
Hoewel Pilatus' koningin hooghartig was,
Heeft zij nu een overvloed aan gebrek,
Haar luister is vergaan,
Daar zij heenging naar de plaats van de schimmen.
Maar Maria is niet zo,
Geliefd is haar sterke vesting:
Adams geslacht verheft haar als de verheven Ruimte
Samen met de heerscharen der engelen.
Hoewel de toornige Decius, die wij niet minnen
Vele en flinke zonen had,
Niemand kent de naam van één van hen
En evenmin groot zijn ze op aarde.
Niet zo is het gesteld met het kind Kyricos,
Grote verhalen worden over hem verteld:
Naar behoren heeft hij dapper gestreden,
Alle steden zijn er vol van.
De macht van deze wereld is een leugen
Voor allen die de wereld bewonen.
Alle macht is immers te vinden
In de liefde voor Maria's Zoon.
Hoewel wij een boze strijd moeten voeren,
Een strijd tegen de trotse duivel,
Een torenhoge zuil is ons Christus
Die ons steeds bijstaat met zijn hulp.
Hoewel aardse koningen hooghartig
Pronken in hun schitterende gewaden,
Na hun overvloed zullen zij vergaan,
De één gaat voor de ander.
De dappere Koning met zijn ontferming,
Jezus die wandelt op de golven,
Zalig geboren uit Maria,
Hij blijft als allen zijn vergaan.
De macht van de duivel werd zwak gemaakt
En eveneens zijn duister verachtelijk leger,
Want immer blijft in volmaaktheid
De sterke macht van onze Koning.
Wanneer wij schuilen onder zijn kroon,
Zijn toekomst nadert,
Hij is immers traag noch zwak,
Bij Hem is er geen onvermogen.
Sterken wij onze wil,
Laat ons streven naar het beste,
Want dit is het meest edele:
Laat ons allen Jezus minnen.
O Jezus, ik smeek U
Omwille van de voorspraak van uw leger,
Uw verlangen zij dit grote goed:
Dat ik in staat moge zijn hun namen op te sommen.
Moge ik uw wil doen,
O Koning van het gastvrije Sion,
Moge ik voor altijd zijn bij uw huisgezin
In het eeuwige Rijk van de overwinning.
Uit de Epiloog
Vierend het feest van de heiligen,
Moge het werk van hun gebed ons beschermen:
Het was geen ijdel werk
Hen allen te vernoemen.
Het koninklijk gezin, waarover wij verhaalden,
Nauw is onze vriendschap;
Na het noemen van hun feest
Wil ik hun rangen tellen.
De schare van de aartsengelen van de hemel
Rond de edele en heilige Michaël,
Met de negen koren van de goedgunstige vorsten
Van de Stad van de machtige Koning.
De schare van de voorouders rond Noach,
Zwervend over de grote zee:
De dienaren van de Koning, die woont in het licht,
Het was de wedergeboorte van de wereld.
De schare der profeten rond Jesaja,
Een dappere profeet, die wij bezingen:
De patriarchen tot wie wij smeken
Met de wonderbare Abraham.
De schare der apostelen rond Petros,
Met de leerlingen van Jezus:
Paulos, de uitnemende, de onverschrokken
Aanvoerder van de hoogste wijsheid.
De schare van de martelaren rond Stefanos,
Een gouden struik van reinheid;
De kluizenaars rond Paulos,
De schare van de heilige maagden rond Maria.
De schare van de heilige bisschoppen van Rome,
Rond Petros, de schitterende beschermer;
De bisschoppen van Jeruzalem
Met Jacobos van de waardigheid.
De schare van de bisschoppen van Antiochië,
Met Petros, de eerste vlam;
De bisschoppen van Alexandrië
Met de roodgloeiende, koninklijke Marcos.
De heilige schare van Honoratus,
De roemrijke en gastvrije soldaat;
De schare van wijsheid, die gekroond werd
Met de overwinnaar Benedictus.
De zich onderscheidende schare van Georgios,
Niet nietig om te beschouwen;
Elke jongen die de marteldood inging
Door Herodes in Bethlehem.
De schare van priesters, die offerde
Het Lichaam van Christus, die leed op het kruis
Om mij elke dag te helpen,
Samen met Aäron de sterke in wijsheid.
De schare der monniken rond Antonios,
Wiens levensloop geheimvol verliep;
Met Martinos, een soldaat van de strijd,
Samen met de schare van de hoge heiligen der wereld.
De schare van de edele heiligen van Ierland
Met Patrick, die de hoogste is;
Met Columba, die stichtte
De scharen van de heiligen van Alba.
En uiteindelijk de grote schare,
Het einde van de schitterende keten,
Met Brigit van de vele triomfen
Met de maagden van Ierland.
Elke heilige, die geweest is, die is en die zijn zal
Tot de dag van het oordeel, een machtige menigte,
Mogen zij mij helpen
Samen met de heilige Christus.
Mogen zij mij helpen
In de hemel en op aarde;
Mogen zij in groepen komen
Om te werken samen met mijn ziel.
Met mijn ziel, mijn gewond lichaam;
En terwijl zij zwoegen,
Mogen zij mijn troosten,
Het koninklijk gevolg tot wie ik smeek.
Ik heb gesmeekt tot het gevolg van de Koning
Over wie ik gesproken;
Ik smeek nu tot U,
Jezus die waarachtig goed zijt.
Nadat ik heb opgesomd deze scharen,
Gij hoogste Koning, over Wie ik niet mag zwijgen,
O Christus, wiens dienaar ik ben,
Miserere mihi.
Ontferm U mijner volgens uw overvloed,
O koninklijke Vorst,
O Jezus, ik heb U lief,
O grote God, ik smeek U.
O grote God, ik smeek U,
Hoor mijn ellendig zuchten,
Moge ik na deze strijd
Wonen in het gezelschap van dit leger.
Ik roep U aan bij het onschuldig bloed,
vergoten in de straten,
Bij hun ledematen
En bij de lansen door hun zijde.
Ik roep U aan bij hun kermen,
Bij hun scherpe zuchten.
Tot U, Christus, roep ik, bij hun feesten,
Hoewel ik een ellendig zondaar ben.
Tegen de prikkel van de wereld,
Want groot is haar macht,
Roep ik U aan bij hun verlangen
Nu zij rond U staan, in witte gewaden gekleed.
Ik roep U aan bij hun geesten
In de koninklijke Woonst vol schoonheid,
Tot U roep ik bij hun relieken
Want deze moeten gekend zijn.
Ik roep U aan bij de tranen
Stromend over hun wit gelaat,
Dat Gij geen enkel gebed, dat ik tot U bid,
Zoudt weigeren te aanvaarden.
Ik roep U aan bij de hemelen
En hun voortdurend wonder,
Met de heilige orden der engelen,
Van het middelpunt tot aan de grenzen.
Ik roep U aan bij elke offer
Waar uw Lichaam werd geofferd
Onder een regen van tranen
Op de heilige altaren onder de wolken.
Ik roep U aan bij de overwinningskreet
Die elke zoon van vroomheid slaakt,
Bij de regen van het kille bloed
Dat stroomt uit zijn arme zijde.
Uw mensheid, uw Godheid,
Met uw zevenvormige Geest
Roep ik aan
Bij de eenheid met uw hemelse Vader.
Ik roep U aan bij al uw heiligen,
Tor U richt ik al mijn woorden
Opdat ik moge hebben in uw Koninkrijk,
Alles waar ik nu naar streef.
Moge uw gezin U bidden
Bij elke strijd
Waarin mijn door trots verblinde is gevallen,
Bij de kastijding van mijn voorzichtig lichaam.
Hoor, o Jezus,
Uw zwakke banneling,
Gescheiden van u wereld
Begeer ik toch hier te blijven.
Moge mijn smart worden genezen
Doordat Gij mijn gebed aanvaard.
Mijn Vriend zal het mij niet weigeren,
Daar ik U aanriep door hen allen.
Hoor dan, gij hemelse stoet,
Elkeen van u die naar mij luistert,
Niet in uw gezelschap verkeren
Is wat mij zeer onrustig maakt.
Veel droefheid verontrust mij hier
Onder uw hemel, schoon door de sterren,
Daar uw gezelschap goed is
Is uw afwezigheid mij erg pijnlijk.
Gij kunt mij helpen,
Want groot is uw tederheid;
Genees mijn hart
Omwille van Maria's Zoon.
Groot zijn de moeilijkheden waarin ik mij bevind,
In mijn klein en arm lichaam;
Groot zijn mijn misdaden,
Gij kunt mij helpen.
Zo gij medelijden hebt,
Wat u waarlijk toekomt,
Hier is in zijn laagheid een arme stakker
Die uw medelijden nodig heeft.
Zo gij in staat zijt medelijden te voelen,
Kom dan tijdig,
Want hier is een eenzame,
Een zwakkeling uit Jezus' gezelschap.
Voor u is er geen gevaar
Bij de Koning der Wolken,
Maar ik ben een ellendige zwakkeling,
Zonder hulp om mijn tranen te drogen.
O heilige schare van de zeven hemelen,
Groot is uw tederheid,
Genees mijn hart,
Omwille van Maria's Zoon.
Omwille van deze Koning,
Tot wie deze kreet is gericht,
Help uit de droefheid,
Deze ellendige bedelaar.
Een ander gebed wil ik bidden
Ten gunste van de mensen van deze wereld,
O God van het Koninkrijk,
O Koning die zult oordelen.
Hoor dan, o Jezus,
Christus, wiens dienaar ik ben,
Verhoor al de gebeden
Van elke zoon van de vroomheid.
Het gebed van elke zoon van de vroomheid,
O Heer, is niet vergeefs.
Moge Gij hun verhoren
Als hun smeekbede nuttig is voor hen.
Als hun smeekbede nuttig is voor hen,
O Koning die de aarde bestuurt,
Red dan hun lichaam,
En heilig hun ziel.
De ziel van elke zoon van het Leven
Werd geheiligd door U;
Adams geslacht, het meest verheven geslacht
Werd door Jezus verlost.
Red mij, o Jezus,
Mijn ziel en mijn lichaam,
Van elk kwaad dat bestaat,
Dat U op aarde beledigt.
Red mij, o Jezus,
Heer van de schone vergadering
Zoals Gij Elia hebt gered,
En Henoch, weg uit deze wereld.
Red mij, o Jezus,
Koning van de reine schittering,
Zoals Gij Abram hebt gered
Uit de hand der Chaldeeën.
Red mij, o Jezus,
Mystieke en goedgunstige Koning,
Zoals Gij Lot hebt gered
Uit de zonde van de steden.
Red mij, o Jezus,
Edele en wonderbare Koning,
Zoals Gij Jonas hebt gered
Uit de buik van het grote monster.
Red mij, o Jezus,
En breng mij naar uw hemel vol genade,
Zoals Gij Isaäk hebt gered
Uit de hand van zijn vader.
Red mij, o Jezus,
Met uw heiligen bij hun komst,
Zoals Gij Tekla hebt gered
Uit de muil van het monster.
Red mij, o Jezus,
Gij die verworpen werd door het volk van uw Moeder,
Zoals Gij Jacob hebt gered
Uit de hand van zijn broeder.
Red mij, o Jezus,
Van elk vreemd kwaad,
Zoals Gij Joannes hebt gered
Van het gif van de slang.
Red mij, o Jezus,
Van de hel met zijn ellende,
Zoals Gij David gered hebt
Van het snoeven van Goliats zwaard.
Red mij, o Jezus,
Daar Gij immers allen hebt gered,
Zoals Gij nobele Suzanna hebt gered
Van de leugen over haar verspreid.
Red mij, o Jezus,
Omwille van uw strijd,
Zoals Gij Ninive hebt gered
Ten dage van de plaag.
Red mij, o Jezus,
Want ik weet dat Gij mij zult toegeven,
Zoals Gij het volk Israël hebt gered
Op de bergen van Gilboa.
Red mij, o Jezus,
Gij goddelijke Heer,
Zoals Gij Daniël hebt gered
Uit de keel van de leeuwen.
Red mij, o Jezus,
Roemrijke en vriendelijke Koning,
Zoals Gij Mozes hebt gered
Uit de hand van de Farao.
Red mij, o Jezus,
Die grote wondere hebt gewerkt,
Zoals Gij de drie jongelingen hebt gered
Van de weg van het vuur.
Red mij, o Jezus,
Koning van elke stam,
Zoals Gij Tobit hebt gered
Van de ellende van de blindheid.
Red mij, o Jezus,
Omwille van uw martelaren,
Zoals Gij Paulos en Petros hebt gered
Van de straf in de gevangenis.
Red mij, o Jezus,
Omwille van elke ziekte,
Zoals Gij Job hebt gered
Van de beproevingen van de duivel.
Red mij, o Jezus,
Christus, verwaarloos mij niet,
Zoals Gij David hebt gered
Van de beschuldigingen van Saul.
Red mij, o Jezus,
Omwille van de voorouders van Maria,
Zoals Gij Jozef hebt gered
Uit de hand van zijn broeders.
Red mij, o Jezus,
Gezegende Koning,
Zoals Gij het heilig Israël hebt gered
Uit de slavernij van Egypte.
Red mij, o Jezus,
Want met U heb ik een verdrag,
Zoals Gij Petros hebt gered
Van de golven der zee.
Red mij, o Jezus,
Van de gulzige en gapende hel,
Zoals Gij Joannes hebt gered
Uit het kokende vat.
Red mij, o Jezus,
Koning boven alle vorsten,
Zoals Gij Samson hebt gered
Die ontsnapte uit de stad.
Red mij, o Jezus,
Red mij ziel van elke straf,
Zoals Gij Martinus hebt gered
Uit de hand van de afgodspriester.
Red mij, o Jezus,
Omwille van uw huisgenoten,
Zoals Gij Patrick hebt gered
Van de vergiftigingsdood in Tara.
Red mij, o Jezus,
Want ik ben uw dienaar,
Zoals Gij Cóemgein hebt gered
Van het neerstorten van de berg.
Red mij, o Jezus,
Want eeuwig zijn uw wonderen,
Heer, tot Wie ik smeek,
Ik verwacht uw boodschappers.
Wanneer de grote wledaad tot mij komt,
Of met Pasen of in de Vasten,
Moge dan de koninklijke stoet die ik heb herdacht
Mij naar het paradijs begeleiden.
© 2000 Celtic Orthodox Christian Church